Wanneer je een puntspade kiest
Een puntspade is gemaakt voor grond die zich niet makkelijk laat steken: zware klei, grond met stenen of puin, oude borders vol wortels en grasland dat je voor het eerst omspit. Ook voor plantgaten en het uitgraven van paaltjes is hij handig, omdat de punt in een kleine opening past.
In losse zand- of tuingrond heb je minder aan de punt. Daar schept een spade met recht blad meer grond per steek en krijg je strakkere sleuven en randen. Veel tuiniers hebben daarom allebei in de schuur.
De drie modellen
De Damespuntspade weegt 1250 tot 1300 gram en heeft een steel van 85 cm met T- of D-greep, of een knopsteel van 95 cm. Hij is bedoeld voor wie licht wil werken en toch door vaste of doorwortelde grond moet.
De Puntspade is het gewone formaat, 2200 tot 2300 gram. Je kiest een T-steel of D-steel van 75 cm, of een knopsteel van 85 cm. Het extra gewicht helpt: bij het insteken zakt de spade door zijn eigen massa al een eind de grond in.
De Puntspade Engels model met trede is uit één stuk staal gesmeed en heeft een stalen buissteel van 90 cm. Met 2850 gram is dit het zwaarste model. De trede aan de bovenkant van het blad geeft je voet een breed steunvlak, wat in harde grond scheelt in kracht en in je schoenzolen.
Werken met een puntspade in zware grond
Zet de punt neer waar je wilt steken en druk hem met je voet in, met je gewicht recht boven het blad. Zit de spade vast, wrik dan niet hard aan de steel maar steek er een tweede keer naast. Kleigrond steek je het best als hij vochtig is maar niet nat: dan plakt er minder aan het blad. Een schoon blad gaat makkelijker de grond in, dus schraap aangekoekte klei er tussendoor af met een stuk hout.